Persoon
Deelnemers konden hun terreinkennis, ervaringen en bezorgdheden inbrengen. Ze kregen taal en ruimte om kaarten, data en routevoorstellen kritisch maar constructief aan te vullen.
Hoe lokale kennis en data samen richting gaven aan fiets-investeringen
Het Agentschap Wegen en Verkeer werkte aan een Masterplan Fietsinfrastructuur om de Vlaamse fietsambities richting 2040 dichterbij te brengen: meer verplaatsingen met de fiets en minder verkeersslachtoffers.
Levuur ontwierp en begeleidde twee iteratieve piloottrajecten, in Kortrijk en in de Kempen. Samen met AWV, Departement MOW, Sweco en lokale stakeholders werd getest hoe een routegerichte aanpak kan helpen om fiets-investeringen onderbouwd, gedragen en uitvoerbaar te prioriteren.
Het vraagstuk
Vlaanderen heeft ambitieuze fietsdoelstellingen richting 2040. Die vragen niet alleen extra investeringen, maar ook duidelijke keuzes: welke fietstracés krijgen prioriteit, op basis waarvan, en hoe zorgen we dat investeringen bijdragen aan veiligheid, kwaliteit en fietspotentieel?
AWV wilde een aanpak ontwikkelen die verder ging dan losse knelpunten of infrastructuursegmenten. De ambitie was om meer routegericht te werken: vertrekken van verplaatsingen van herkomst naar bestemming, over beheerdersgrenzen heen.
Daarvoor was een afwegingskader nodig dat data, expertenkennis, lokale terreinkennis en bestuurlijke realiteit samenbrengt.
Fietsinfrastructuur lijkt op het eerste gezicht een technisch vraagstuk. In de praktijk raakt het aan veel meer: verkeersveiligheid, comfort, doorstroming, onderhoud, beschikbare ruimte, lokale prioriteiten, budgetten, beheerderslogica en politieke keuzes.
De bestaande praktijk is vaak georganiseerd per beheerder, bestuursniveau, infrastructuursegment of meerjarenplanning. De piloottrajecten vertrokken net vanuit routes en verplaatsingen. Dat vroeg een andere manier van kijken en samenwerken.
Ook de combinatie van data en lokale kennis was niet vanzelfsprekend. Niet alle datasets waren volledig, eenduidig of beschikbaar op het juiste schaalniveau. Tegelijk bleek lokale kennis essentieel om kaarten, trajecten en knelpunten juist te interpreteren.
Bovendien was het traject opgezet als piloot- en leerproces. Dat bracht spanning met zich mee: deelnemers wilden mee testen en leren, maar vroegen zich tegelijk af welke keuzes impliciet al werden vastgelegd en wie uiteindelijk beslist.
Rol van Levuur
Levuur ontwierp een proces waarin methodiekontwikkeling, stakeholderdialoog en praktijktest samenliepen.
In de piloottrajecten in Kortrijk en de Kempen werd de routegerichte aanpak getest aan de hand van concrete routes. Sweco werkte onder meer routevoorstellen, kaarten en analyses uit. Levuur ontwierp en begeleidde de fietsateliers waarin lokale actoren, experten en betrokken diensten deze input konden verrijken, bevragen en aanscherpen.
De fietsateliers brachten verschillende vormen van kennis samen:
data over potentieel, kwaliteit, veiligheid en toestand;
kaartmateriaal en routevoorstellen;
lokale kennis over knelpunten, opportuniteiten en geplande projecten;
ervaringen van gebruikers en beheerders;
reflecties over haalbaarheid, prioritering en uitvoering.
De aanpak was iteratief. Inzichten uit de ateliers werden gebruikt om het afwegingskader, de routevoorstellen en de procesaanpak bij te sturen. Zo werd niet alleen gewerkt aan inhoudelijke prioritering, maar ook aan een bruikbare methodiek voor verdere toepassing.
Fiets-investeringen werden bespreekbaar als meer dan een optelsom van technische knelpunten. Lokale kennis, datagestuurde analyses, subjectieve veiligheid, comfort, doorstroming, kwetsbare gebruikers en toekomstige ontwikkelingen kregen samen een plek in het gesprek. Daardoor konden deelnemers niet alleen reageren op kaarten of cijfers, maar ook aangeven waar de realiteit op het terrein anders, rijker of gevoeliger was dan de data liet zien.
Het traject hielp om prioritering concreter en meer onderbouwd te maken. Het afwegingskader bracht verschillende criteria samen, zoals fietspotentieel, veiligheid, kwaliteit en toestand van de infrastructuur. De fietsateliers maakten zichtbaar welke informatie nodig is om routes te vergelijken, welke aannames achter de methodiek zitten en waar bijsturing nodig is. Zo werd duidelijker op basis waarvan keuzes kunnen worden voorbereid, besproken en verantwoord.
De piloottrajecten leverden een geteste aanpak op voor routegericht werken aan fietsinfrastructuur. Het traject maakte zichtbaar wat nodig is om een afwegingskader niet alleen op papier te ontwikkelen, maar ook in de praktijk te gebruiken: goede data, lokale duiding, heldere processtappen, duidelijke besluitvorming en aandacht voor de bestuurlijke realiteit. De ervaringen uit Kortrijk en de Kempen vormen zo een basis om de methodiek verder te verfijnen en toepasbaar te maken in andere regio’s.
Data en lokale kennis verbinden in prioritering is complex. Levuur ontwierp een transparant afwegingskader, zodat investeringen onderbouwd en gedragen werden.
Doorwerking
Deelnemers konden hun terreinkennis, ervaringen en bezorgdheden inbrengen. Ze kregen taal en ruimte om kaarten, data en routevoorstellen kritisch maar constructief aan te vullen.
AWV kreeg via de piloottrajecten zicht op wat nodig is om routegericht en datagedreven te werken over diensten, regio’s en beheerlogica heen. Het traject maakte ook zichtbaar welke afspraken, data, rollen en beslismomenten nodig zijn om van methodiek naar toepassing te gaan.
Lokale besturen, experten, AWV, Departement MOW, Sweco en andere betrokkenen werkten samen aan een gedeelde manier om fiets-investeringen te bekijken. De fietsateliers hielpen om lokale kennis en technische analyse met elkaar te verbinden.
De case draagt bij aan de bredere ambitie om fietsen veiliger, aantrekkelijker en vanzelfsprekender te maken. Door investeringen beter te onderbouwen en te prioriteren, wordt het mogelijk om publieke middelen gerichter in te zetten voor fietsinfrastructuur die bijdraagt aan veiligheid, kwaliteit en modal shift.
Een goed afwegingskader is meer dan een technische tool. Het moet werken in een bestuurlijke, lokale en organisatorische realiteit.
De case toont dat data essentieel is, maar niet volstaat. Lokale kennis is nodig om cijfers te interpreteren, kansen en knelpunten juist te begrijpen en prioriteiten uitvoerbaar te maken.
Ze toont ook dat pilootprocessen helder gekaderd moeten worden. Deelnemers moeten weten wanneer ze meedenken, wanneer ze testen, wanneer iets richtinggevend wordt en waar echte besluitvorming plaatsvindt.
De belangrijkste les: publieke investeringskeuzes worden sterker wanneer data, lokale kennis, procesontwerp en besluitvorming zorgvuldig met elkaar verbonden worden.
Contact
Sta je voor een vraagstuk waarin verschillende belangen, verantwoordelijkheden of perspectieven samenkomen? We kijken graag mee wat het proces nodig heeft en welke rol Levuur daarin kan spelen.
